Bedankt voor de uitnodiging om hier vandaag te mogen spreken op deze bijzondere bijeenkomst: de
herdenking van de April-meistakingen in 1943. De staking waarbij vele provincies de handen ineen
sloegen om samen een vuist te maken tegen de bezetter.


Het zal je maar gebeuren, dat er een bevel wordt afgegeven dat alle oud-militairen zich moeten
melden om naar Duitsland te gaan, om daar in de wapenindustrie te gaan werken. Wat moet het
moeilijk zijn om te weten wat je dan moet doen, omdat het weigeren van zo’n bevel onherroepelijk
leidt tot straffen. Wat zou u doen met dit vreselijke dilemma? Huis en haard verlaten, of weigeren?
In beide gevallen kon de dood volgen. Dit soort dilemma’s overstijgt het individu en heeft de kracht
van het collectief nodig.


En dat is gebeurd… op heldhaftige wijze. Zoals we net hebben gehoord komt de productie in
Storkfabriek in Hengelo op 29 april 1943 als eerste tot stilstand. Deze staking was uniek, aangevuurd
door de lang onderdrukte woede die er heerste onder arbeiders, waardoor men elkaar massaal
volgde.


Het collectief maakte de vuist. Het collectief bleek sterker dan het individu en werd vanuit verbinding
en saamhorigheid een keerpunt tijdens de bezetting en een impuls voor het verzet. Zoals we
hoorden was het de grootste staking uit de Nederlandse geschiedenis maar vandaag de dag niet als
zodanig bekend. Terwijl het toch diepe sporen in de samenleving en generaties erna heeft
achtergelaten. Een staking die aandacht verdient aangezien het een gebeurtenis van belang is
geweest. Wat goed dat we hier met zijn allen vandaag bij elkaar zijn en straks met elkaar in gesprek
gaan, opnieuw in verbinding met elkaar.


Ik ben als psychiater werkzaam bij Centrum’45 van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum dat
gespecialiseerd is in de diagnostiek, behandeling en het ontwikkelen van kennis rondom
oorlogsgetroffenen en de generaties erna. Specifiek ben ik betrokken bij de behandelgroep ‘WOII’,
die zich richt op de intergenerationele gevolgen van oorlog en geweld. Naast de zorgfunctie hebben
wij binnen ARQ als doel het bewustzijn en de kennisontwikkeling rondom intergenerationele
doorwerking van trauma in de maatschappij te vergroten. Kortom, wat er in de therapiekamer
gebeurt toegankelijk te maken en te verbreden naar het niveau van de samenleving. Wat hebben we
als samenleving nog te verwerken als het gaat om dit soort zeer ingrijpende gebeurtenissen?

Vandaag zet ik in mijn voordracht voor u uiteen waarom het van belang is om deze grootschalige
staking te herdenken. Voor ons als individuen, voor de betrokken families en ook voor onze
samenleving als geheel; om met u stil te staan bij wat het betekent als zo’n belangrijke staking bijna
in de vergetelheid raakt en wat dit zwijgen over zo’n historische gebeurtenis kan doen, niet alleen
voor de direct getroffenen uit die tijd, maar juist ook voor de kinderen en kleinkinderen en voor ons
als maatschappij als geheel.


Bij ARQ Centrum’45 doen we sinds de jaren zeventig ervaring en kennis op in het werken met
oorlogsgetroffenen. We zijn opgericht in 1973 en bestaan dit jaar 50 jaar. Een jubileum!
Maar waarom bestaan we eigenlijk niet minstens 75 jaar? Waarom zijn we niet vlak na de oorlog
opgericht? Hoe kan het dat er in Nederland vlak na de oorlog zo weinig oor was voor de verhalen die
men net had meegemaakt, waaronder deze grootschalige staking?

De verklaring hiervoor kunnen we o.a. vinden in de overtuiging die toentertijd in de maatschappij
leefde, namelijk dat je het beter niet kon hebben over psychisch leed. Men moest sterk zijn om alles
weer op te bouwen en alleen fysieke klachten werden serieus genomen en behandeld in
ziekenhuizen. Hierdoor was er nauwelijks ruimte voor dialoog of verwerking van traumatische
ervaringen, of om stil staan bij ingewikkelde gevoelens zoals schuldgevoel, of bij de vraag ‘heb ik het
wel goed gedaan?’. Psychische kwetsbaarheid moest men vooral niet tonen, want dat zou de
wederopbouw in gevaar brengen. Nu zijn er wetenschappelijke inzichten die benadrukken dat dit
juist aandacht nodig heeft. Die waren er toen nog niet.


Kortom, men besloot te zwijgen uit zelfbescherming en doordat het onbeschrijfelijke leed nauwelijks
in woorden te beschrijven was, niet naar elkaar en zeker niet naar de kinderen. De kinderen groeiden
tenslotte op in vrijheid. Het gevolg hiervan was dat verhalen en emoties losweekten van de context
en soms een eigen leven gingen lijden. Hierdoor ontstonden er juist explosieve emoties zoals
angsten, boosheid en verdriet, vastgezet in een vicieuze cirkel. Want door het loskomen van de
context moesten deze emoties dan nog harder worden weggeduwd waardoor het verhaal nog meer
wegebde en de emoties nog weer heviger werden.


Inmiddels weten we dat als er te weinig ruimte is voor het verhaal, dat het dan voor de betrokkene
zelf, maar ook voor anderen, steeds lastiger wordt om over ingewikkelde emoties rondom het
doorgemaakt oorlogstrauma te praten.


Maar soms is er dus helemaal geen emotionele ruimte om stil te staan. Zoals ook in het geval van
deze staking waarbij het zelfs zo is dat er helemaal nauwelijks aandacht voor kwam. Dan blijft het
stukje verhaal zweven en kan het gaan irriteren. Op individueel niveau kun je dan denken aan
nachtmerries, angstaanvallen of ongeleide boosheid waarbij het verhaal zich van binnen opdringt in
een poging toch te kunnen passen in het levensverhaal; het wil er als het ware bij horen. Op
familieniveau kun je denken aan een familiegeheim waarbij het voor kinderen onbekend is dat er iets
gebeurd is (omdat het verhaal niet benoemd kon worden) maar het wel gevoeld wordt. De oorlog zit
dan figuurlijk aan tafel zonder dat er over gesproken wordt. En in het geval van deze staking is het
geheim zelfs doorgetrokken naar een nationaal niveau waardoor de gebeurtenis langzaam in de
vergetelheid raakte. Hiermee heeft het verhaal geen plaats gekregen in ons gedeelde verhaal over de
Tweede Wereldoorlog. Dit moet het voor getroffenen en nabestaanden moeilijk hebben gemaakt
met de emoties om te gaan. De emoties bleven ergens zweven, ze bleven voelbaar, terwijl het voor
de verwerking en integratie van de oorlogservaringen juist zo belangrijk is dat erover gesproken
werd; voor de erkenning dat het echt gebeurd is.


Bij ouder wordende mensen zien we dat door veroudering pijnlijke herinneringen steeds minder
vermeden kunnen worden. Oude vermijdingsstrategieën, zoals het zwijgen en hard werken, volstaan
niet meer. Lichamelijke pijnen door ouderdom kunnen werken als directe triggers aan de lichamelijke
pijnen die mensen hadden tijdens de oorlog. Door die lijfelijke triggers gaat er een luik naar het
geheugen open en dringen oude verhalen zich op. Doordat de ouderen de verhalen niet langer meer
kunnen of willen isoleren vinden ze vaak betekenis door in gesprek te gaan met hun kleinkinderen.
Ze vinden het belangrijk om de verhalen door te geven in een poging de volgende generaties bewust
te maken van oorlog, in de hoop dat het nooit meer zal gebeuren. In deze dialogen kan er verwerking
plaatsvinden. Dat geldt in eerste instantie voor de direct getroffenen maar in dialoog wordt er ook
context gecreëerd voor de jongere generatie zodat het zwijgen opgeheven wordt aan beide kanten
en er ruimte komt voor verbinding en verwerking.


De kinderen van oorlogsgetroffenen, geboren na de oorlog, de zogenoemde tweede generatie,
hebben deze gesprekken vaak minder kunnen voeren met hun ouders. Soms wel, maar meestal niet.
Het is ook logisch: als ouder wil je je kind instinctief beschermen tegen het leed. Maar in het
algemeen voelt een kind toch aan dat er iets aan de hand is en weet het vaak wel dat de ouders iets

hebben meegemaakt in de oorlog. Toch kan het de onderliggende emoties die gevoeld worden niet
goed duiden omdat deze door ouders niet worden benoemd. Ook voelt een kind aan dat je er maar
beter niet over kunt beginnen. De ouder werkt als spiegel voor een kind om te leren waar je wel of
niet over praat en welke emotie je wel of niet kunt uiten. Met als gevolg dat een kind kan leren om er
niet over te praten. Het komt ook wel eens voor dat er veel te veel en overweldigend gesproken
wordt over oorlogservaringen, in een poging de kinderen ervan te doordringen dat het nooit meer
mag gebeuren. Zowel het zwijgen als het overspoelend vertellen biedt weinig ruimte voor de eigen
belevingswereld van een kind.


Maar intussen zie je binnen deze tweede generatie een grote behoefte om te willen weten, om te
willen vertellen en daarmee taboes te doorbreken, en recht te doen en erkenning te geven aan de
ellende die de ouders hebben meegemaakt. Zo is het misschien ook bij de commissie van vandaag,
die zich hard maakt voor het herdenken van de April-meistaking. Bij de tweede generatie is het van
belang om de gefragmenteerde verhalen van de ouders uiteindelijk te mogen onderzoeken, omdat
het dan soms duidelijker wordt waar bepaalde angsten of andere ingewikkelde emoties mee
samenhangen. Als het verhaal mist, zijn emoties moeilijker. Zodra het verhaal duidelijker wordt,
komen emoties meestal tot rust. De context is terug.


Een plek creëren waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en ervaringen kunnen delen, zoals hier
vandaag, dat is helend, niet alleen voor de getroffenen, maar ook voor onze maatschappij. We leven
inmiddels in een tijd waarin het van groot belang wordt geacht om stil te staan bij oorlogservaringen,
en de verhalen van toen kloppend en volledig te maken. Een mooi voorbeeld hiervan is het project
Erfgoeddragers, waarbij scholieren zich verbinden met het verhaal van een oorlogsgetroffene en er
zorg voor dragen om het verhaal verder te vertellen. Praten, delen en herdenken lost zwarte gaten
op en geeft betekenis aan het verleden, zodat we ons verbonden voelen, verbonden met elkaar. Dat
geeft kracht, de kracht van het collectief. Dat we hier vandaag zijn is belangrijk, voor ons, onze
kinderen en de vele generaties die nog gaan volgen. Opdat de mensen die destijds staakten geëerd
worden voor hun heldhaftigheid en wat ze betekend hebben voor de vrijheid die wij vandaag de dag
mogen genieten.

Hartelijk dank.

Hengelo, 29 april 2023
Marianne Belleman, psychiater ARQ Centrum’45
Inez Schelfhout, klinisch psycholoog ARQ Centrum’45